Met een ietwat zwaar gemoed van alle wereldproblematiek stapte ik afgelopen week in de auto voor een skivakantie met familie. Moet je nagaan: wat een ongekend voorrecht om de boel de boel te laten en niet aan de ellende te hoeven denken. Dat je in een land woont dat vrede kent, zelfs al is de eenheid ver te zoeken. Dat je van alles kunt roepen en vinden – zonder consequenties. Een dak boven je hoofd, eten op tafel en een vakantie met geliefden in blakende gezondheid. Soms overvalt het me hoe bizar goed we het hebben.
Terwijl wij de afgelopen dagen de hemel op aarde beleefden, is voor anderen de hel dagelijkse realiteit.
De berichten over Kfir en Ariel Bibas spoken door mijn hoofd. Met blote handen vermoord en hun lijfjes bewerkt met stenen om een bombardement verdacht te doen lijken. De vermoorde onschuld heeft een gezicht gekregen. Zullen we ooit begrijpen hoe het is om zó veel haat te voelen, dat je een kind van 9 maanden met je blote handen kunt doden? Dat je de hand kunt slaan aan een baby?
Hoe gruwelijk.
De beelden van de ontvoering staan op het netvlies gebrand. De blik in Shiri’s ogen met een mengeling van angst en leeuwenmoed, haar armen beschermend om haar kleintjes heen. Tegen zoveel kwaad viel niet te beschermen. God weet wat ze daar door hebben gestaan.
Bij de nachtelijke terugrit naar ons huis terug in Nederland zoekt mijn zoontje in het donker op de tast naar mijn hand.
‘Jahweh is mijn God’ betekent zijn naam.
En ‘God is genadig’.
Dat is Hij.
En zoals Eli mijn hand grijpt, tast ik in de duisternis naar de houvast van een belofte van een God die is en zal zijn. Je weet dat Hij er is, alleen niet altijd waar.
‘Hij zal alle tranen van hun ogen afwissen. En de dood zal niet meer zijn.’
Een toekomst vol van hoop in een troosteloos bestaan.
Hoe hard de boze ook tekeergaat: er is een glorieuze uitkomst en die staat vast. Hij heeft het Zelf gezegd.
Dat we ons daar maar stevig aan vast mogen houden.
Deze post verscheen eerder op Insta: